Afleidingen, Toepassingen en Beschouwingen – door Albert Prins
Deel IV – Experimenten en Verificaties
4 Experimenten ter bevestiging van Einsteins Theorie
In dit hoofdstuk bespreken we een reeks experimenten die de algemene
relativiteitstheorie van Einstein empirisch ondersteunen.
Een centraal hulpmiddel bij de analyse van deze experimenten is de
Schwarzschild-oplossing van de Einstein-veldvergelijkingen.
De berekening van de baan van een kogel in een sterk zwaartekrachtsveld (zie hoofdstuk 4.8)
Deze experimenten vormen samen een krachtig bewijs voor de geldigheid
van de algemene relativiteitstheorie.
In elk geval biedt de Schwarzschild-metriek een wiskundig kader
waarmee de waargenomen fenomenen nauwkeurig verklaard kunnen worden.
4.1 Experiment 1 – Het Hafele & Keating-Experiment met de
Schwarzschild-Vergelijking
Afleiding gebaseerd op:
A Hafele & Keating-like thought experiment, door Paul B. Andersen,
16 oktober 2008 (Andersen, 2008).
Het beroemde experiment van Hafele en Keating testte kwantitatieve
voorspellingen van de relativiteitstheorie, met name de tijdsdilatatie
als gevolg van zowel beweging (speciale relativiteitstheorie) als
zwaartekracht (algemene relativiteitstheorie).
In dit experiment werden twee vliegtuigen uitgerust met cesiumklokken
en liet men ze gelijktijdig in tegengestelde richtingen rond de aarde
vliegen. Daarnaast bleef een derde cesiumklok op een vaste locatie op
aarde (in Washington). De resultaten toonden aan dat de klokken aan
boord verschillende tijdsdilatatie-effecten ondergingen, afhankelijk
van hun bewegingsrichting en positie ten opzichte van de aarde.
De klok in het oostwaarts vliegende vliegtuig bewoog met de rotatie
van de aarde mee. Daardoor had deze klok een grotere snelheid ten
opzichte van het niet-roterende middelpunt van de aarde dan de
grondklok. Dit leidde tot een sterkere tijdsdilatatie: de klok liep
achter.
Daarentegen bewoog het westwaarts vliegende vliegtuig tegen de rotatie
van de aarde in, wat resulteerde in een lagere snelheid ten opzichte
van het aardcentrum, en dus in een zwakkere tijdsdilatatie: deze klok
liep juist voor. Dit verschil in tijdsverloop toont aan dat de
voortgang van de tijd afhankelijk is van de beweging van de waarnemer
– een effect dat al in 1905 werd voorspeld door Einstein in zijn
oorspronkelijke artikel over de speciale relativiteitstheorie.
Alle drie de klokken bewegen naar het oosten. Zelfs al beweegt het vliegtuig dat naar
het westen vliegt ten opzichte van de lucht naar het westen, de lucht beweegt naar het
oosten door de rotatie van de aarde. Bron: (Crowell, 11 maart 2018)
Doel en Opzet
Doel: Directe experimentele toets van Einsteins voorspellingen
voor tijdsdilatatie door zowel beweging (speciale relativiteit)
als zwaartekracht (algemene relativiteit).
Opzet: Cesiumklokken werden in vliegtuigen oost- en westwaarts
rond de aarde gevlogen, terwijl een referentieklok op aarde
bleef. De tijdsverschillen tussen deze klokken werden gemeten
en vergeleken met de theoretische voorspellingen.
Theoretisch Kader: Schwarzschild-metriek
De Schwarzschild-metriek beschrijft de ruimte-tijd buiten een
sferisch symmetrisch massief lichaam zoals de aarde:
t: de coördinatentijd, gemeten door een hypothetische klok buiten elk
zwaartekrachtsveld;
τ: de eigen tijd, gemeten door een meebewegende klok op positie r;
r: afstand tot het middelpunt van de aarde;
θ: breedtehoek ten opzichte van de Noordpool;
∅: lengtehoek ten opzichte van een vaste meridiaan;
G: de gravitatieconstante;
M: de massa van de aarde;
c: de lichtsnelheid.
De Schwarzschild-metriek gebruikt een universeel (sferisch)
coördinatenstelsel met als oorsprong het zwaartepunt van de aarde.
De aarde roteert binnen dit coördinatenstelsel. Veranderingen in
de hoeken θ en ∅ beschrijven beweging over het
aardoppervlak.
Kleine veranderingen in tijd en ruimte worden respectievelijk
aangeduid met dt, dr, dθ en d∅.
Merk op dat dt de tijdsverandering is voor een hypothetische
waarnemer ver weg van zwaartekrachtsinvloeden; het is geen direct
gemeten tijd maar een theoretische coördinatentijd.
De daadwerkelijke tijd die door een klok op een bepaalde locatie
wordt gemeten, is dτ, de eigen tijd.
We zullen de Schwarzschild-metriek gebruiken om een benaderde formule
af te leiden die de tijdsdilatatie van de klokken beschrijft, op basis
van hun positie en beweging. Daarna geven we ook de volledige (exacte)
oplossing. Hoewel die laatste complexer is, is ze met behulp van
computerprogramma’s zoals Excel goed hanteerbaar en levert ze een
nauwkeurig resultaat.
4.1.1 Benaderde Formule voor Tijdsdilatatie
We benaderen de situatie waarin de klokken zich op cirkelvormige banen rond de aarde bevinden:
óf op zeeniveau, óf op een bepaalde hoogte boven het aardoppervlak.
Omdat de banen cirkelvormig zijn, geldt dat dr = 0.
Bovendien nemen we aan dat de beweging plaatsvindt in het vlak van de evenaar,
waardoor θ = π/2 constant is en dus dθ = 0.
Daarmee vereenvoudigt de Schwarzschild-metriek zich tot:
We vergelijken nu twee klokken. Klok 1 bevindt zich op het aardoppervlak,
met straal \(r_1\), de afstand van het middelpunt van de aarde, en snelheid \(v_1\),
als gevolg van de aardrotatie. Voor deze klok geldt:
Daar de termen
\(\frac{GM}{c^2 r_1}, \frac{v_1^2}{2c^2}, \frac{GM}{c^2 r_2}, \frac{v_2^2}{2c^2}\)
zeer klein zijn, kunnen hun producten verwaarloosd worden. Hieruit volgt:
Stel dat klok 1 zich op het aardoppervlak bevindt met straal \(R\), en klok 2 in een vliegtuig op hoogte \(h\).
Dan is \(r_2 = R + h\). Omdat \(h \ll R\), kunnen we benaderen:
Deze vergelijking is volledig afgeleid uit de Schwarzschild‑vergelijking met enkele benaderingen.
Ze stemt overeen met de benadering in het originele Hafele–Keating‑experiment.
Opmerking 1.
Indien de snelheid van het vliegtuig als grondsnelheid wordt opgevat,
kan op hoogte \(h\) benaderd worden:
In dat geval dient de bovenstaande formule dienovereenkomstig aangepast te worden.
Opmerking 2.
Een nauwkeurigere behandeling van \(v_1\) en \(v_2\) volgt in het volgende hoofdstuk,
waar de snelheden specifieker worden afgeleid op basis van het gebruikte coördinatenstelsel.
4.1.2 Uitwerking van v1 en v2 in Vergelijking (\ref{eq:R20})
De snelheid \(v_1\) in vergelijking (\ref{eq:R20}) is de snelheid van een stilstaand punt
op de evenaar van het aardoppervlak. Deze wordt uitgedrukt als:
waarbij dt de coördinatentijd is in het ‘universele’ referentiekader.
Omdat metingen op het aardoppervlak echter plaatsvinden met betrekking tot
de lokale eigen tijd \(\tau\), is een conversie nodig.
Deze uitdrukking laat zien dat \(\frac{d\tau}{dt}\), de conversie tussen coördinatentijd en eigen tijd,
afhankelijk is van de rotatiesnelheid van de aarde, \(v_{1,\tau}\), gemeten in lokale eigen tijd.
Beschouwen we nu een vliegtuig dat oostwaarts vliegt. De totale snelheid op
aardniveau (gemeten in eigen tijd) is:
Hier hebben we de rotatiesnelheid (hoeksnelheid) berekend in het universele frame.
Dit is geldig voor elk niveau, ofwel elke afstand vanaf het middelpunt.
Maar de snelheid zelf wordt bepaald door r maal deze hoeksnelheid.
Snelheid op niveau van het vliegtuig
\( v_{\text{plane},\tau} \) is de gemeten snelheid van het vliegtuig op grondniveau
en ten opzichte van de eigen tijd, wat de enige beschikbare tijd is op dat niveau.
\( v_{\text{earth},\tau} \) is de roterende snelheid van een stilstaand punt op aarde
ten opzichte van het universele frame, maar gemeten met de eigen tijd op aardniveau.
De snelheid van het vliegtuig in het universele frame op hoogte \( r_2 \) is:
Deze vergelijking beschrijft de tijdsdilatatie tussen een klok op het aardoppervlak en een
klok aan boord van een vliegtuig, rekening houdend met zowel gravitationele als
snelheidsafhankelijke effecten, alle gebaseerd op lokaal meetbare grootheden.
4.1.3 De Exacte Afleiding
In plaats van een benadering, maken we nu een exacte afleiding, volledig gebaseerd op de Schwarzschild-metriek.
We beginnen bij vergelijking (\ref{eq:R03}):
Het doel is de eigen tijd van verschillende klokken met elkaar te vergelijken. Als referentie nemen we de klok op het aardoppervlak. Andere klokken bevinden zich in vliegtuigen, op grotere hoogte en met verschillende snelheden. Zelfs de klok op aarde heeft een niet-nul snelheid door de aardrotatie.
Voor de klok op het aardoppervlak (straal \( r_1 \), snelheid \( v_1 \)) geldt:
Deze vergelijking is een exacte uitdrukking, rechtstreeks afgeleid uit de Schwarzschild-metriek. Ze toont hoe het verschil in eigen tijd tussen een klok op aarde en een klok in een vliegtuig beïnvloed wordt door:
Gravitationele tijdsdilatatie: klokken op grotere hoogte (zwakkere zwaartekracht) lopen sneller.
Kinematische tijdsdilatatie: klokken die sneller bewegen lopen trager.
Berekeningen gebaseerd op de uitgevoerde experimenten:
Conclusie
De benaderingen zijn correct binnen een nauwkeurigheid van 0.4%.
Praktische Toepassing
Rotatiesnelheid aarde (evenaar): \( v_{\text{earth}} \) is ongeveer 464.58 m/s (op basis van de sterrendag).
Vliegtuig: Snelheid t.o.v. aardoppervlak, gecorrigeerd voor hoogte.
Hoogte-effect: \( h \) is typisch enkele kilometers, \( R \) (aarde) ongeveer \( 6.371 \times 10^{6}\,\text{m} \).
Gravitationeel effect: Klokken op grotere hoogte (vliegtuigen) lopen sneller door zwakkere zwaartekracht.
Experimentele Uitkomst
De gemeten tijdsverschillen kwamen exact overeen met de voorspellingen van de algemene relativiteitstheorie, met een nauwkeurigheid van minder dan 0.4%.
Zowel de benaderde als de exacte formules (afgeleid uit de Schwarzschild-metriek) zijn in overeenstemming met de waarnemingen.
Samenvatting
Het Hafele–Keating-experiment is een directe, kwantitatieve bevestiging van Einsteins relativiteitstheorie.
De Schwarzschild-metriek biedt het wiskundige kader voor het verklaren van deze tijdsdilatatie-effecten.
Beide effecten — beweging en zwaartekracht — zijn essentieel en worden simultaan gemeten en verklaard.
4.1.4 De snelheid van een stilstaand punt op de evenaar aan het aardoppervlak
Om de snelheid van een stilstaand punt op de evenaar te berekenen,
moeten we eerst de rotatietijd van de aarde bepalen:
de sterrendag (sidereal day).
Sterrendag versus etmaal
Een gewone dag of etmaal (24 uur) is de tijd tussen twee opeenvolgende
hoogste standen van de zon aan de hemel.
Deze tijd is gebaseerd op de zonnecyclus,
niet op de werkelijke rotatie van de aarde.
Door de jaarlijkse baan van de aarde rond de zon,
maakt de aarde in één jaar één extra rotatie
ten opzichte van de vaste sterrenhemel.
In één jaar (365,25 zonne-etmalen) draait de aarde daarom
366,25 keer om haar as ten opzichte van de sterren.
Een sterrendag duurt ongeveer
23 uur, 56 minuten en 4 seconden.
De snelheid van een stilstaand punt op de evenaar
is ongeveer
464,58 m/s.
Het verschil tussen een sterrendag en een zonne-etmaal
leidt tot een meetbaar verschil in snelheid,
wat belangrijk is voor relativistische berekeningen,
zoals in het Hafele–Keating-experiment.
4.1.5 Correctie op afleiding gebaseerd op Paul Anderson
In de oorspronkelijke afleiding van Anderson wordt de snelheid van het vliegtuig ingevoerd ten opzichte van het aardoppervlak.
In zijn formule (\ref{eq:R02}) is deze snelheid echter uitgedrukt ten opzichte van de coördinatietijd \(dt\), terwijl de klokken in
beweging eigen tijd \(d\tau\) meten. Dit vereist een correctie: de snelheid van het object moet worden uitgedrukt ten opzichte
van zijn eigen klok, dus via \(d\tau\).
Startpunt: De volledige Schwarzschild-relatie
We nemen als uitgangspunt vergelijking (\ref{eq:R01}) uit hoofdstuk 4.1.1, zonder benadering:
De grondsnelheid van het vliegtuig (relatief t.o.v. het aardoppervlak) moet worden omgerekend naar een
coördinatenonafhankelijke snelheid op vlieghoogte:
De snelheid van het vliegtuig wordt gegeven als de grondsnelheid. Het is niet direct duidelijk of deze
gemeten is ten opzichte van de klok op aarde of de klok in het vliegtuig. Laten we aannemen dat de klok
op aarde bedoeld is. In dat geval moeten we een conversie maken naar het niveau van het vliegtuig, wat
betekent dat we de klok op dat niveau moeten beschouwen. Dit doen we via de tijd \(t\) in het
universele frame.
Als we \(\dfrac{d\phi_{\text{earth}}}{dt}\) beschouwen, is dit de rotatiesnelheid van de aarde in
het universele frame. We kunnen de snelheid van de aarde op zeeniveau vinden door
\(\dfrac{d\phi_{\text{earth}}}{dt}\) te vermenigvuldigen met \(R\), de afstand vanaf het middelpunt.
De snelheid van de aarde gezien vanaf het niveau van het vliegtuig is \((R + h)
\dfrac{d\phi_{\text{earth}}}{dt}\). Voor het vliegtuig geldt hetzelfde: op zeeniveau is de relatieve
vliegtuigsnelheid \(R\dfrac{d\phi_{\text{plane}}}{dt}\) en op vliegtuigniveau
\((R + h)\dfrac{d\phi_{\text{plane}}}{dt}\).
Nu moeten \(\dfrac{d\phi_{\text{earth}}}{dt}\) en \(\dfrac{d\phi_{\text{plane}}}{dt}\) worden
gevonden. We gebruiken uit
hoofdstuk 4.1.5 vergelijking (4c):
Deze herziene aanpak corrigeert de inconsistentie in de oorspronkelijke afleiding: snelheden
dienen gerelateerd te zijn aan eigen tijd, niet aan coördinatietijd. Na correctie en
Taylorbenadering blijkt dat de numerieke afwijking ten opzichte van de benadering in het
vorige hoofdstuk minder dan \(0{,}4\%\) bedraagt – binnen de gewenste nauwkeurigheid.
4.1.6 Overwegingen bij het Hafele-Keating-experiment en de Schwarzschild-metriek
We beginnen met de algemene Schwarzschild-vergelijking:
In het Hafele–Keating-experiment worden de tijd van de klok van het United States Naval Observatory (USNO) en de snelheid van een vliegtuig gemeten. De vraag luidt: wat vertegenwoordigen de tijd en de snelheid in de context van de Schwarzschild-metriek?
Er is een stationaire klok op zeeniveau op de evenaar, en twee vliegtuigen die zich bewegen in het equatoriale vlak — één naar het oosten, de ander naar het westen. Beide vliegtuigen volgen een cirkelvormige baan met constante snelheid ten opzichte van het aardoppervlak, maar in tegengestelde richtingen.
Aangezien het experiment plaatsvindt in het equatoriale vlak, nemen we aan dat
\(\theta = \pi/2\) constant is, en dat \(r\) eveneens constant is wegens de cirkelvormige baan.
De Schwarzschild-metriek vereenvoudigt zich dan tot:
De coördinaten \(t, r, \theta, \phi\) in de Schwarzschild-metriek kunnen worden geïnterpreteerd als behorend tot een universeel (inertiaal) referentiestelsel waarin de aarde roteert.
De klokken op het aardoppervlak en in de vliegtuigen bevinden zich elk in hun eigen lokaal inertiaal stelsel; hun gemeten tijd wordt weergegeven als de eigen tijd \(\tau\).
De universele coördinatietijd \(t\) is niet direct meetbaar, maar vormt een theoretische grootheid.
Uit vergelijking (\ref{eq:R91}) volgt:
Deze vergelijking drukt uit hoe de eigen tijd \(\tau\) van een bewegende klok relateert aan de
coördinatietijd \(t\) in het Schwarzschild-stelsel.
4.2 Experiment 2 – Beweging van Deeltjes in Schwarzschild-Geometrie
De afleidingen in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op:
(Biesel, 2008) The Precession of Mercury’s Perihelion, Owen Biesel
(Magnan) Christian Magnan: Complete calculations of the perihelion precession of Mercury
and the deflection of light by the Sun in General Relativity
(Pe’er, 2014) Asaf Pe’er: Schwarzschild Solution and Black Holes
We leiden vergelijkingen af voor de beweging van deeltjes in de Schwarzschild‑geometrie, als basis voor:
De precessie van het perihelium van Mercurius,
De afbuiging van licht door de zon,
Het Shapiro‑experiment,
De berekening van een kogelbaan.
We gebruiken de Schwarzschild‑metriek als uitgangspunt. Door de symmetrie in zowel de tijdcoördinaat
\( t \) als de hoekcoördinaat \( \phi \) (geen metriekcomponent hangt van deze coördinaten af)
geldt Noether’s stelling: elke continue symmetrie correspondeert met een behoudswet. Dit levert behoud
van energie en behoud van impulsmoment.
Overzicht van gebruikte symbolen in §4.2
Symbool
Betekenis
\( v \)
Totale snelheid ten opzichte van de coördinatentijd \( t \)
\( v_r = \dfrac{dr}{d\tau} \)
Radiale snelheid (langs \( r \)-richting)
\( v_t = r\,\dfrac{d\phi}{d\tau} \)
Transversale snelheid (loodrecht op \( r \)-richting)
\( \lambda \)
Affiene parameter (gelijkgesteld aan eigentijd \( \tau \) voor massieve deeltjes)
\( E \)
Behouden energie per eenheid massa langs de geodeet
\( L \)
Behouden impulsmoment per eenheid massa langs de geodeet
\( \varepsilon \)
\( 1 \) voor massieve deeltjes, \( 0 \) voor fotonen
Om de juiste dimensies te verkrijgen (alle coördinaten in meters), zetten we Rp=1m, waardoor de
coëfficiënten dimensieloos worden. Dit leidt tot de meer gebruikelijke vorm:
We beschouwen een geodetische wereldlijn, die de natuurlijke bewegingsbaan van een
deeltje beschrijft in afwezigheid van niet-gravitationele krachten. De algemene
geodetische vergelijking luidt:
We zullen eerst de elegante aanpak van Asaf Pe’er volgen uit zijn artikel
“Schwarzschild Solution and Black Holes” (Pe’er, 2014),
om vervolgens een eenvoudiger benadering te presenteren.
Volgens Asaf Pe’er:
"Op het eerste gezicht lijkt er niet veel hoop te zijn om dit stel van vier gekoppelde
vergelijkingen eenvoudig op te lossen. Gelukkig wordt onze taak sterk vereenvoudigd
door de hoge mate van symmetrie van de Schwarzschild–metriek."
De Schwarzschild‑ruimte heeft vier Killing‑velden: drie vanwege de sferische symmetrie,
en één vanwege tijdtranslatie.
Elk Killing‑veld leidt via Noether’s stelling tot een constante van de beweging voor een vrij deeltje.
In plaats van direct de vier gekoppelde geodetische vergelijkingen op te lossen,
maken we gebruik van de symmetrieën die via Killing‑velden leiden tot behoudswetten.
In vlakke ruimte‑tijd leiden de symmetrieën (via Noether) tot bekende behouden grootheden:
Tijdtranslatie‑invariantie → energiebehoud,
Rotatie‑invariantie → behoud van impulsmoment.
Voor de Schwarzschild‑metriek geldt analoog:
Beweging in een vlak:
Het impulsmoment behoudt zijn richting → het deeltje beweegt in een vlak.
Door coördinatenrotatie mogen we dat kiezen als het evenaarsvlak:
Bij \( \theta = \pi/2 \) is \( \sin\theta = 1 \), zodat:
\begin{align}
r^2 \frac{d\phi}{d\lambda} = L
\label{eq:R131}
\end{align}
Hieruit volgen de behouden grootheden:
\( E \): energie per eenheid massa,
\( L \): impulsmoment per eenheid massa.
Voor fotonen zijn dit respectievelijk de energie en het impulsmoment zelf.
(meer over het impulsmoment, zie Appendix 10.)
Merk op dat vergelijking (\ref{eq:R131}) het equivalent is van Keplers tweede wet binnen de algemene relativiteit:
gelijke oppervlakken worden in gelijke tijden doorlopen.
Alternatieve afleiding
Hoewel Asaf Pe’er opmerkt dat het oplossen van de volledige set gekoppelde
geodetische vergelijkingen complex lijkt, blijkt dat een aantal van deze
vergelijkingen relatief eenvoudig oplosbaar zijn. We tonen dit aan met behulp
van vergelijkingen (\ref{eq:R118}) en (\ref{eq:R121}).
We herkennen hierin de behouden grootheid die gerelateerd is aan de totale energie per massa‑eenheid van het deeltje.
Vermenigvuldiging met \( c \) geeft:
We gaan nu verder met vergelijking (\ref{eq:R118}).
Om de afleiding te vereenvoudigen nemen we aan dat het deeltje zich beweegt in het equatoriale vlak, zodat:
\begin{align}
L = r^2\,\frac{d\Phi}{d\lambda}
\label{eq:R149}
\end{align}
4.2.1 Het Gravitatiepotentiaal
Met de eerder afgeleide behoudswetten kunnen we nu de beweging van deeltjes
in de Schwarzschild-metriek verder analyseren. We beginnen met het
uitschrijven van vergelijking (\ref{eq:R123}), waarbij we gebruikmaken van de behouden
grootheden uit vergelijkingen (\ref{eq:R140}) en (\ref{eq:R147}):
We vermenigvuldigen deze vergelijking met
\( 1 - \frac{2GM}{c^{2} r} \)
en gebruiken
\( \frac{E}{c} = c \frac{dt}{d\lambda}
\left( 1 - \frac{2GM}{c^{2} r} \right) \)
en
\( L = r^{2} \frac{d\phi}{d\lambda} \)
om te herschrijven:
We zijn hiermee in staat geweest om de vier gekoppelde geodetische
vergelijkingen te reduceren tot één differentiaalvergelijking voor
\( r(\lambda) \). Dit betekent een grote vereenvoudiging van het probleem.
We herschrijven vergelijking (\ref{eq:R20}) in de volgende vorm:
Vergelijking (\ref{eq:R154}) is formeel identiek aan de klassieke vergelijking voor de
beweging van een deeltje (met eenheidsmassa) in een één-dimensionaal
potentiaal \( V(r) \), waarbij de totale “energie”
\( \frac{1}{2} \frac{E^{2}}{c^{2}} \) is.
Natuurlijk is de werkelijke energie \( E \), maar deze vorm maakt de
vergelijking analoog aan de klassieke mechanica.
Als we het potentiaal \( V(r) \) in vergelijking (\ref{eq:R155}) analyseren, zien we
dat het slechts op één punt verschilt van het Newtoniaanse potentiaal:
de laatste term. Deze term, evenredig met \( 1/r^{3} \), vertegenwoordigt
een puur relativistische correctie en speelt vooral bij kleine \( r \)
een belangrijke rol.
De termen kunnen als volgt worden geïnterpreteerd:
De eerste term is constant (rustenergie voor massieve deeltjes),
afhankelijk van \( \varepsilon = 1 \) voor massieve deeltjes en
\( \varepsilon = 0 \) voor fotonen;
De tweede term is het Newtoniaanse gravitationele potentiaal;
De derde term is het klassieke impulsmomentpotentiaal;
De vierde term is de relativistische correctie.
Let op: ondanks de vormelijke overeenkomst met de klassieke mechanica
beschrijft dit géén de beweging van een deeltje dat vrij in één dimensie
beweegt. In werkelijkheid gaat het om een deeltje dat een baan beschrijft
rond een massief object. De relevante grootheden zijn niet alleen
\( r(\lambda) \), maar ook \( t(\lambda) \) en
\( \phi(\lambda) \), die samen het volledige ruimtetijdtraject
beschrijven.
Figuur 1 - Trajecten van deeltjes in een gravitationeel potentiaal.
4.2.2 Intermezzo over Energie in Schwarzschild-geometrie
In dit intermezzo analyseren we de vorm van de energie zoals afgeleid in
vergelijking (\ref{eq:R140}) van hoofdstuk 4.2. Deze energie is een behouden
grootheid in de Schwarzschild-geometrie.
Waarbij
\(
v^{2}
=
\sigma^{-2}
\left( \frac{dr}{dt} \right)^{2}
+
r^{2}
\left( \frac{d\phi}{dt} \right)^{2}
\)(\ref{eq:R66}) met de energie (vergelijking (\ref{eq:R140})) leidt dit tot:
\begin{align}
E
=
\sigma^{2} m c^{2}
\frac{dt}{d\lambda}
=
\frac{\sigma m c^{2}}
{\sqrt{1 - \frac{v^{2}}{\sigma^{2} c^{2}}}}
=
\gamma_\sigma \sigma m c^{2}
\label{eq:R164}
\end{align}
Waarbij \(p\) het totale ruimtelijke momentum per eenheid massa is. In rust volgt
\(E=\sigma m c^2 \) en voor een foton \(E=\sigma p c \). In het algemeen geldt:
De Schwarzschild-metriek en de daaruit afgeleide geodetische vergelijkingen vormen het fundament voor vele relativistische experimenten.
Symmetrieën en behouden grootheden reduceren de bewegingsvergelijkingen tot hanteerbare vormen.
De effectieve potentiaal omvat zowel klassieke als relativistische effecten zoals
lichtafbuiging, periheliumprecessie en Shapiro-vertraging.
4.3 Experiment 3 - Afbuiging van Licht
4.3.1 Historische en theoretische achtergrond
De afbuiging van licht door zwaartekracht was de eerste experimentele toets van
de algemene relativiteitstheorie. In de klassieke Newtoniaanse zwaartekracht
beweegt licht, als massaloos verschijnsel, in rechte lijnen die niet door
zwaartekracht worden beïnvloed. Volgens de algemene relativiteitstheorie echter,
volgt licht de kromming van de ruimte-tijd, veroorzaakt door massa.
Daardoor wijkt een lichtstraal af van een rechte lijn wanneer zij passeert langs
een massief object zoals de zon. Dit effect kan waargenomen worden wanneer we
kijken naar het licht van een ster die zich visueel dicht bij de zon bevindt.
Wanneer het licht van de ster langs de zon schampt, wordt het afgebogen, zodat
de ster op een andere plaats aan de hemel lijkt te staan dan waar zij zich
werkelijk bevindt. Een half jaar later, als de ster zich aan de andere kant van
de hemel bevindt, zal haar licht de zon op grote afstand passeren, en wordt haar
positie correct waargenomen.
Om dit effect zichtbaar te maken is een zonsverduistering nodig, omdat het
zonlicht anders het sterlicht overstraalt. In 1919 werd dit effect voor het
eerst gemeten door Arthur Eddington tijdens een totale zonsverduistering.
Zijn waarnemingen bevestigden Einsteins voorspelling en betekenden een grote
doorbraak in de acceptatie van de algemene relativiteitstheorie.
4.3.2 De afleiding van de afbuigingshoek
We beschouwen een lichtstraal (foton) die nadert vanuit het oneindige en langs
de zon beweegt. De beweging van het foton in de Schwarzschild-ruimte wordt
beschreven door de effectieve energievergelijking, zoals afgeleid in hoofdstuk
4.2.1.
De impactparameter \(b\) is de afstand tussen de zwaartelijn van het massieve
object (de zon) en de asymptotische richting van de lichtstraal op oneindig.
Figuur 2. Definitie van de impactparameter b. Het bewegende deeltje nadert de massa M
vanuit een grote afstand met vector-moment p. Een testdeeltje met een parallelle snelheid duikt
radiaal op de massa M af. De afstand b tussen hun aanvankelijk parallelle paden in
het 'oneindige' is de impactparameter b.
Het impulsmoment van het foton is:
\begin{align}
L = p\,b
\label{eq:R188}
\end{align}
Voor een foton geldt \(E = pc\), zodat:
\begin{align}
b = \frac{L}{E/c}
\label{eq:R189}
\end{align}
De afbuigingshoek wordt verkregen door de hoekverandering
\(\Delta \phi\) langs het traject van het foton te berekenen,
van oneindig tot aan het perihelium \(r = R\), en weer terug.
Vanuit vergelijking (\ref{eq:R195}) krijgen we (zie Figuur 3):
Tot op dit punt is geen enkele benadering toegepast. Deze volledige afleiding is
geschikt om de lichtafbuiging exact te berekenen, al is in de praktijk vaak een
eerste-orde benadering voldoende om de afbuigingshoek langs de rand van de zon te bepalen.
We kunnen nu de totale verandering in het azimut berekenen langs het volledige
traject van het foton, van \(\alpha=0\) tot \(\alpha=\frac{\pi}{2}\), en dit verdubbelen:
Opmerking: de integraal zou van \(r=\infty\) naar R moeten gaan, dus nu gaat \(u\) van 0
naar 1, en dus \(\alpha\) van \(\frac{\pi}{2}\) naar 0. Door de integraal te veranderen
naar 0 tot \(\frac{\pi}{2}\) verandert het teken en verdwijnt het minteken.
De eerste term, \(\pi\), is de totale hoekverandering van een foton in een vlakke ruimte-tijd –
een rechte baan zonder afbuiging. De tweede term is de extra afbuiging ten gevolge van de
kromming van de ruimte-tijd. De werkelijke afbuigingshoek is dus:
Deze afbuiging van 1.75 boogseconde werd voor het eerst waargenomen
door Arthur Eddington tijdens de zonsverduistering van 1919. Het resultaat bevestigde op
spectaculaire wijze Einsteins voorspelling, en betekende een mijlpaal in de experimentele
bevestiging van de algemene relativiteitstheorie.
Dit effect is ook te zien buiten ons zonnestelsel, en staat bekend als “gravitational lensing”.
4.3.8 Fysische interpretatie
Licht volgt de kromming van ruimte-tijd.
De afbuiging is een geometrisch effect, geen kracht.
Waarneembaar tijdens zonsverduisteringen.
4.4 Experiment 4 – Precessie van de Periheliën (Mercurius)
Gebaseerd op artikel van Owen Biesel (Biesel, 2008).
4.4.1 Inleiding
Fysisch probleem:
De baan van Mercurius rond de zon is een ellips, maar het dichtstbijzijnde punt
(perihelium) schuift langzaam door in de tijd. Dit verschijnsel heet
precessie van het perihelium.
Klassieke verklaring:
Newtoniaanse mechanica verklaart het grootste deel van deze precessie
(door invloed van andere planeten), maar er blijft een residu van
circa 43 boogseconden per eeuw onverklaard.
Relativistische verklaring:
De algemene relativiteitstheorie voorspelt een extra precessie als gevolg
van de kromming van ruimte-tijd rond de zon, exact overeenkomend met het
waargenomen overschot.
4.4.2 Theoretisch kader: Schwarzschild-metriek
In de algemene relativiteitstheorie beschouwen we een planeet zoals Mercurius
als een testdeeltje dat zich langs een geodetische baan beweegt door de
gekromde ruimte-tijd.
De Schwarzschild-metriek beschrijft deze ruimte-tijd rondom een sferisch
symmetrische massa (zoals de zon):
4.4.3 Afleiding via de precessie via de Lagrange-aanpak (zie Appendix 12)
Hoewel we eerder al de uitdrukkingen voor de energie E vergelijking (\ref{eq:R140})) en het impulsmoment
L (vergelijking (\ref{eq:R147})) hebben afgeleid, herhalen we hier de afleiding vanuit de Lagrangiaan.
We parameteriseren de baan als:
Voor een gesloten baan moet de radiale beweging begrensd zijn, d.w.z.
\(dr/d\phi=0\) bij twee punten: het perihelium P en het aphelium A.
Maar bij een niet gesloten baan (precessie) is de hoekverschuiving tussen perihelium \(P\) en aphelium \(A\):
Om \(E\) en \(L\) in termen van \(A\), \(P\) en \(R_s\) uit te drukken, stellen we dat
\(\frac{dr}{d\phi}=0\) voor \(r=A\) en \(r=P\).
Dit leidt tot de volgende vergelijkingen:
Door geschikte combinaties en aftrekkingen van deze vergelijkingen
kunnen we \(\frac{E^{2}}{c^{4}} - 1\) en \(L^{2}\) volledig uitdrukken
in termen van \(A\), \(P\) en \(R_s\). (Details zie oorspronkelijke afleiding.)
introduceren om de uitdrukkingen verder te vereenvoudigen. Dit heeft de dimensie van afstand.
Dan wordt de uitdrukking hierboven voor \(E^2-1\) en \(L^2\):
We weten dat de som van de drie niet-nul wortels gelijk is aan
\(\dfrac{R_{s}}{E^{2}/c^{4} - 1}\)
(de coëfficiënt van \(r^{3}\) in de standaardvorm van het polynoom); daarom verkrijgen we:
Dit stelt ons in staat om de relatie tussen de wortels A, P en \(\varepsilon\) verder te analyseren in termen van \(R_{s}\), de Schwarzschildstraal, en de energie- en impulsmomenttermen.
Dus we vullen dit in de bovenstaande vergelijking:
\begin{align}
A + P + \varepsilon
=
\frac{R_{s}}{E^{2}/c^{4} - 1}
\label{eq:R303}
\end{align}
\begin{align}
A + P + \varepsilon
=
R_s\frac{-AP(A+P+R_s)+R_s(A+P)^2}{R_s[-AP+(A+P)R_s]}=\frac{-AP(A+P+R_s)+R_s(A+P)^2}{-AP+(A+P)R_s}
\label{eq:R304}
\end{align}
\begin{align}
\frac{E^2/c^4-1}{L^2/c^2}r^4
+ \frac{R_s}{L^2/c^2}r^3-r^2+R_s r
=\frac{E^2/c^4-1}{L^2/c^2}
(r-A)(r-P)(r-\varepsilon) r
\label{eq:R309}
\end{align}
\begin{align}
=\frac{1-E^2/c^4}{L^2/c^2}
(A-r)(r-P)(r-\varepsilon) r
\label{eq:R310}
\end{align}
Opmerking:
In zijn artikel “The Precession of Mercury’s Perihelion” van Owen Biesel (25 januari 2008), op pagina 8,
bevat het linkerdeel van de integraal (\ref{eq:R316}) in de teller \(1+\varepsilon\), maar wij zijn van mening dat het alleen \(1\) moet zijn en hebben de formule dienovereenkomstig aangepast.
Met de waargenomen waarden
\(A\text{(aphelion)} = 69.8 \cdot 10^{6}\,\text{km}\),
en
\(P\text{(perihelion)} = 46.0 \cdot 10^{6}\,\text{km}\),
verkrijgen we:
De omlooptijd van Mercurius is 87,969 dagen, dus Mercurius voltooit 415,2 omwentelingen per eeuw.
Aangezien er \( 360 \cdot 60 \cdot 60/2\pi \) boogseconden per radiaal zijn, vinden we dat het perihelium van Mercurius verschuift met:
Dit geeft ons de exacte relatie voor de precessiehoek van de baan van Mercurius, zoals beschreven
in het resultaat van 43.027 boogseconden per eeuw.
4.4.6 Conclusie
De afwijking van de baan van Mercurius als gevolg van algemene relativiteit wordt bepaald door
de extra krommingstermen in vergelijking (\ref{eq:R254}). De feitelijke precessie per omloop kan worden berekend
door de afwijking van de integraal \(\Delta \phi\) ten opzichte van \(2\pi\).
Deze theoretische voorspelling komt overeen met de waargenomen afwijking van ongeveer
43 boogseconden per eeuw, een effect dat niet door Newtoniaanse mechanica
verklaard kan worden.
\begin{align}
\Delta T
=
7598744\,\mathrm{s}
\Rightarrow
\frac{7598744}{24*3600}=
87.95\,\text{dagen}
\label{eq:R407}
\end{align}
Afgeleid in hoofdstuk Schwarzschild-Benadering 4.8.2, vergelijking (\ref{eq:R593}), de instantane
rotatiesnelheid van Mercurius als functie van \(\phi\):
Waarom precessie:
Door de kromming van ruimte-tijd rond de zon is de baan van Mercurius
geen perfecte ellips, maar een ellips die langzaam roteert.
Geen Newtonse verklaring:
Dit effect kan niet worden verklaard door klassieke mechanica of
planetaire verstoringen alleen.
Empirische bevestiging:
De gemeten waarde van circa 43 boogseconden per eeuw was één van de
eerste grote successen van de algemene relativiteitstheorie.
4.4.8 Kerninzicht
De precessie van Mercurius’ perihelium is een direct en meetbaar gevolg
van de kromming van ruimte-tijd zoals voorspeld door de
Schwarzschild-metriek.
De kwantitatieve overeenstemming tussen theorie en waarneming vormt
een van de krachtigste bevestigingen van Einsteins algemene
relativiteitstheorie.
4.5 Experiment 5 – Shapiro-Tijdvertraging
Inleiding en Fysisch Idee
De Shapiro-tijdvertraging is het effect waarbij een lichtsignaal (of radargolf)
dat langs een massief object (zoals de zon) reist, langer onderweg is dan verwacht
op basis van een rechte lijn in vlakke ruimte-tijd. Dit is een direct gevolg van de
kromming van de ruimte-tijd door massa, zoals voorspeld door de algemene relativiteitstheorie.
Historie:
Het effect werd in 1964 voorspeld door Irwin Shapiro en sindsdien in vele experimenten
bevestigd, onder andere door radarsignalen naar Venus en Mercurius te sturen en
de retourtijd te meten.
In het Shapiro-experiment werden radarsignalen vanaf de aarde naar een planeet
gestuurd, die op dat moment aan de andere kant van de zon stond. Deze signalen weerkaatsten
terug naar de aarde. Volgens de algemene relativiteitstheorie zal het signaal, dat net
langs de zon scheert, worden afgebogen door de zwaartekracht van de zon, of eigenlijk
vervormt de massa van de zon de ruimte-tijd zodanig dat het signaal een “rechte gekromde”
lijn volgt.
Figuur 1: De radarreflectie van fotonen van de aarde naar een planeet en terug. Het linker beeld
toont het daadwerkelijke pad, overdreven weergegeven. Het rechter beeld toont de Euclidische vorm.
(Uit Tests of General Relativity: A Review door Estelle Asmodelle (Asmodelle, 2017))
Om de Shapiro-vertraging te definiëren, nemen we aan dat de aarde en de planeet
stilstaan, terwijl de totale tijd voor de retourreis van het radarsignaal
\( \Delta t \) is, in coördinaattijd. De waarde van \( t \) moet worden
weergegeven in termen van \( r \) over het gehele pad, waarbij \( r_0 \) de kortste afstand tot de zon is.
4.5.1 Afleiding op basis van de Schwarzschild-metriek
Voor de berekening van de Shapiro-vertraging wordt de Schwarzschild-vergelijking toegepast:
Beschouw nu het pad van een foton van de Aarde naar een andere planeet (bijvoorbeeld Venus, met
\(r_p=r_v\)), zoals weergegeven in Figuur 2. Het is duidelijk dat het pad van het foton zal worden
afgebogen door het zwaartekrachtsveld van de Zon. Laat \(r_0\) de coördinatenafstand zijn van het dichtste punt waar het foton de Zon nadert; dan geldt:
De eerste term aan de rechterkant is precies wat we zouden verwachten als het licht in een rechte lijn zou reizen.
De tweede en derde termen geven de extra coördinatietijd die nodig is voor het foton om langs het gekromde pad naar het punt \(r\) te reizen.
Zoals te zien in Figuur 2, als we een radarstraal naar Venus sturen en terug, dan is de extra coördinatietijd ten opzichte van een rechte lijn:
Zoals eerder vermeld, vormen de eerste twee termen binnen deze haakjes de relativistische tijd van de Aarde naar Venus,
en de twee termen aan de rechterkant vormen de tijd als het pad gewoon een rechte lijn zou zijn.
De factor 2 is inbegrepen omdat het foton naar Venus moet gaan en terug naar de Aarde.
Aangezien \(r_{E} \gg r_{0}\) en \(r_{V} \gg r_{0}\) hebben we:
Hieruit blijkt ook dat de tijdvertraging groter wordt naarmate de impactparameter \(r_{0}\)
(de afstand tot het zwaartekrachtscentrum) kleiner wordt.
Numerieke Waarden
Voor Venus, tegenover de Aarde aan de andere kant van de Zon: \(\Delta t ≈ 252\, μs\)
Voor Mercurius geldt: \(\Delta t ≈ 240\, μs\)
Afstand Venus-Zon \(r_V : 108 × 10^9 \,m\)
Afstand Zon-Aarde \(r_E : 150 × 10^9 \,m\)
Totaal afstand Venus-Aarde: \(258 × 10^9 \,m\)
Totale reistijd (Aarde → Zon → Venus → Aarde) zonder vertraging: \(1720\, s\)
De Shapiro‑vertraging is dus klein, maar een duidelijk meetbaar effect.
4.5.1.2 Eigentijd van Aarde versus coördinaattijd
Klokken op Aarde meten geen coördinaattijd, vanwege de rotatie van de Aarde om haar eigen
as en het effect van de rotatie van de Aarde rond de Zon.
Door de rotatie van de Aarde om haar eigen as wordt de overeenkomstige eigen tijd van het signaal
gegeven door:
Aangezien \(r_E\,\gg\, GM/c^2\), en dus \(0.176\,ps \,\ll \,252\, \mu s\)
is dit effect verwaarloosbaar.
Het effect van de rotatie van de Aarde rond de Zon veroorzaakt een vertraging van
15 nanoseconden per seconde, zoals vermeld in hoofdstuk 4.6.
Voor de extra tijdvertraging \( \Delta t \approx 252\, \mu s\) vanaf Venus, veroorzaakt de rotatie van de
Aarde rond de Zon een klein effect van: \(252∗10^{−6}∗15∗10^{-9}=3.78∗10^{−12}\, 𝑠𝑒𝑐𝑜𝑛𝑑𝑒𝑛=3.78\, 𝑝𝑠\), wat
ook genegeerd kan worden.
4.5.2 Fysische Interpretatie
De extra tijdsvertraging is een direct gevolg van de kromming van ruimte-tijd door de zon.
Het effect is het grootst als het signaal dicht langs de zon gaat (kleine r0).
Experimenten tonen aan dat de gemeten tijdsvertraging exact overeenkomt met de voorspellingen van
de algemene relativiteitstheorie.
4.5.3 Praktisch belang
Belangrijk voor nauwkeurige navigatie van ruimtemissies en het testen van alternatieve zwaartekrachtstheorieën.
Wordt gebruikt in pulsar-timing en bij het interpreteren van signalen van ruimtevaartuigen.
4.5.4 Kerninzicht
De Shapiro-tijdvertraging is een van de vier klassieke experimenten die de algemene relativiteitstheorie bevestigen. Het effect is klein, maar meetbaar en volledig verklaarbaar met de Schwarzschild-metriek.
4.6 Tijdsrelatie tussen Waarnemer op Aarde en het Centrum van de Zon
Wanneer we de afbuiging van licht of de banen van planeten rond de Zon beschouwen,
dan wordt een referentiekader gebruikt met het centrum in het midden van de Zon,
terwijl wij het fenomeen vanaf de Aarde observeren en een rotatiesnelheid hebben
ten opzichte van de Zon.
In dit hoofdstuk onderzoeken we de tijdsrelatie tussen een waarnemer op de Aarde
en het centrum van de Zon, met de bijbehorende correctiefactoren.
Het vertrekpunt is de Schwarzschild-metriek, die de ruimte-tijd rondom een sferisch
symmetrisch massief object beschrijft. De metriek wordt gegeven door:
\begin{align}
\sigma =\sqrt{ 1 - \frac{2 G M_{\text{sun}}}{c^2 r}},
\qquad
R_s = \frac{2 G M_{\text{sun}}}{c^2}
\label{eq:R466}
\end{align}
G is de gravitatieconstante,
Msun is de massa van de Zon,
c is de lichtsnelheid,
R is de afstand tot het centrum van de Zon.
De coördinaten \(\theta\) en \(\phi\) representeren de gebruikelijke bolvormige
coördinaten. We beperken ons tot het equatorvlak van de Zon, zodat \(\theta\, =\, \pi /2\)
en de straal \(r\) constant is.
4.6.1 Vergemakkelijking van de Schwarzschild-metriek
Voor een waarnemer op de Aarde nemen we aan dat de Aarde zich in een cirkelvormige
baan rond de Zon bevindt.
De tijdsmeting van de waarnemer op Aarde wordt beschreven door de eigen tijd
dτ, terwijl dt de coördinaattijd is in het Zon-referentiekader.
waarbij \(R_s\) de Schwarzschildstraal van de Zon is, v de snelheid van de Aarde in haar baan, en \(r\)
de afstand van de Aarde tot het centrum van de Zon. Dit is de algemene tijdsrelatie die rekening
houdt met zowel de zwaartekracht van de Zon als de snelheid van de Aarde.
Numerieke waarden:
\( R_s = 2950 \,\text{m} \)
\( v =30.000 \,\text{m/s} \)
\( r = 150 \times 10^{9} \,\text{m (de gemiddelde afstand van de Aarde tot de Zon).} \)
Door de waarden in te vullen en de uitdrukking voor \(d\tau\) uit te breiden met een Taylorreeks tot
de eerste orde, krijgen we de volgende benadering:
De tweede term aan de rechterkant is het gevolg van de zwaartekracht van de Zon en de derde term
is het gevolg van de snelheid van de Aarde rond de Zon.
Substitutie van de numerieke waarden levert:
\begin{align}
\Delta t - \Delta \tau
=
1.5 \times 10^{-8} \, \Delta t
\label{eq:R475}
\end{align}
Dit betekent een tijdsvertraging van ongeveer 15 nanoseconden per seconde
voor een waarnemer op Aarde ten opzichte van de Zon-coördinaattijd.
4.6.3 Correctiefactor voor de Zwaartekracht van de Aarde
De waarnemer op de Aarde wordt ook beïnvloed door de zwaartekracht van de Aarde. Deze zwaartekracht
moet eveneens in aanmerking worden genomen voor een volledige beschrijving van de tijdsrelatie.
De eigen tijd \( d\tau \) wordt in dit geval aangepast door de zwaartekracht van de Aarde, waarbij
we de volgende metriek gebruiken voor de Aarde:
Voor een waarnemer op de evenaar is de rotatiesnelheid \(v_{rot}\) van de Aarde ook van belang.
De hoeksnelheid \(d\phi/dt\) van de Aarde wordt gegeven door de rotatieperiode van de Aarde
(siderische periode: \(86162.4 \text{ seconden}\)):
waarbij de tweede term de bijdrage van de rotatiesnelheid van de Aarde betreft.
Door de juiste waarden in te vullen, krijgen we de uiteindelijke tijdsrelatie:
\( R_E = 0.008875 \,\text{m} \) (Schwarzschild-radius van de Aarde)
\( r_e = 6{,}381{,}000 \,\text{m} \) (straal van de Aarde)
\( v_E = 465 \,\text{m/s} \) (rotatie van de Aarde om haar as)
\( c = 3 \cdot 10^{8} \,\text{m/s} \)
4.6.4 Conclusie
De tijdsrelatie tussen een waarnemer op Aarde en het centrum van de Zon wordt bepaald
door drie effecten: de zwaartekracht van de Zon, de baansnelheid van de Aarde en de
lokale zwaartekracht van de Aarde zelf.
Samen veroorzaken zij een kleine maar meetbare tijdsvertraging.
4.6.5 Fysische Betekenis
Klokken op Aarde lopen langzamer dan een hypothetische klok in het Zon-centrum.
Deze correcties zijn essentieel voor GPS, ruimtevaart en precisietiming.
4.7 Alternatieve Afleiding van de Baanvergelijking
Volgens de eerste wet van Kepler zijn alle planeetbanen om de zon ellipsvormig.
Zoals we in hoofdstuk 4.4 hebben gezien heeft de Algemene Relativiteitstheorie aangetoond
dat er ook een relativistische correctie is op de ellipsvorm die de
periheliumprecessie van bijvoorbeeld Mercurius verklaart.
We geven daarom hier een alternatieve afleiding van de baanvergelijking voor een massief
deeltje in de Schwarzschild-geometrie die een oplossing geeft die ons dichter bij de
oorspronkelijke formule van een ellips brengt.
We delen door \(2\,\frac{du}{d\phi}\) (ervan uitgaande dat \(\frac{du}{d\phi} \neq 0\)):
\begin{align}
\frac{d^{2}u}{d\phi^{2}} + u
= \frac{GM}{L^{2}} + \frac{3GM}{c^{2}}u^{2}
\label{eq:R498}
\end{align}
Als we de laatste term voorlopig negeren, krijgen we de vergelijking volgens de
Newtoniaanse theorie, waarvan de oplossing is:
\begin{align}
u = \frac{GM}{L^{2}}\left(1 + e\cos\phi\right)
\quad\text{of}\quad
r = \frac{L^{2}}{GM}\,\frac{1}{1 + e\cos\phi}
\label{eq:R499}
\end{align}
Dit beschrijft een ellips, waarbij de parameter \(e\) de excentriciteit van de baan
voorstelt. Zo kunnen we bijvoorbeeld de baan van een planeet om de zon tekenen.
We kunnen de afstand tot het dichtstbijzijnde punt (perihelium) schrijven als
een speciaal geval: hoewel klein, groeit hij langzaam met \(\phi\), omdat \(\phi\)
zelf blijft toenemen. Het effect stapelt zich op en moet daarom behouden blijven.
Dit betekent dat de waarden van \( r \) zich herhalen in een hoek die groter is dan \( 2\pi \).
Hierdoor sluit de baan niet perfect zoals bij een klassieke ellips: de ellips draait langzaam
rond het brandpunt. Dit verschijnsel noemen we precessie.
Na elke volledige omloop is de ellips iets verdraaid rond het focuspunt, en wel met een hoek:
Het overgrote deel hiervan wordt veroorzaakt door gravitatie‑invloeden van andere planeten.
Maar na correctie voor deze verstoringen blijft er een restafwijking over die verrassend goed
overeenkomt met de voorspelling van de algemene relativiteitstheorie.
Voor andere hemellichamen vinden we vergelijkbare resultaten
(in boogseconden per eeuw):
Object
Waargenomen restprecessie
Voorspelde restprecessie
Mercurius
43.1 ± 0.5
43.03
Venus
8 ± 5
8.6
Aarde
5 ± 1
3.8
Icarus
10 ± 1
10.3
De resultaten komen dus uitstekend overeen met de voorspellingen van de algemene
relativiteitstheorie. Einstein voegde deze berekening voor Mercurius toe aan zijn artikel
uit 1915 over de algemene relativiteitstheorie. Hiermee loste hij direct een van de grote
openstaande problemen in de klassieke hemelmechanica op – een indrukwekkende eerste toets
van zijn nieuwe, complexe theorie. Je kunt je voorstellen hoeveel vertrouwen dit hem gaf
in de juistheid ervan.
4.8 Experiment 6 - Berekening van een Kogelbaan
Als oefening zijn we geïnteresseerd in het berekenen van de baan van een kogel
met behulp van de regels van de algemene relativiteitstheorie, in tegenstelling
tot de klassieke (Newtoniaanse) benadering.
Voor de benadering volgens de Algemene Relativiteit veronderstellen we dat de baan
van de kogel door de massa van de Aarde gedwongen wordt om een elliptische vorm te
volgen. Voor de berekening maken we gebruik van de Schwarzschild-vergelijking.
Maar eerst beginnen we met de Newtoniaanse benadering.
4.8.1 Newtoniaanse Benadering
We beschouwen een kogel die onder een hoek wordt afgevuurd, met een horizontale
afstand D tussen het startpunt en het doelwit, en een maximale hoogte
h. De zwaartekrachtsversnelling is g, en de initiële snelheid
van de kogel heeft componenten vx0 (horizontaal) en
vy0 (verticaal).
a) Tijd en snelheidscomponenten
De tijd die de kogel nodig heeft om de afstand D af te leggen met de
constante horizontale snelheid vx0 is:
Om de afstand D af te leggen, heeft de kogel ook een opwaartse snelheid
nodig, anders raakt hij te vroeg de grond. Dit vereist een initiële
snelheidscomponent in de y-richting vy0. Deze snelheid
wordt bepaald door de horizontale afstand D en de tijd T. Dus
T is ook de tijd die het kost om vanaf de grond omhoog te gaan en weer
terug naar de grond te vallen.
Omdat de beweging symmetrisch is, is de tijd om het hoogste punt te bereiken:
Dit is dus een functie van de vereiste afstand D wanneer de initiële horizontale
snelheidscomponent \(v_{x0}\) is.
e) Voorbeeldberekening
D (m)
vx0 (m/s)
T (s)
h (m)
v0 (m/s)
10
5
2
4.93
11.06
10
500
0.02
0.000493
500
100
5
20
493
99
100
50
2
4.93
51
(welke zijn berekend met g = 9,87 m/s²)
f) Volgende stap
Nu we de Newtoniaanse benadering volledig hebben uitgewerkt, kunnen we deze
vergelijken met de berekening op basis van de Schwarzschild-geometrie binnen de
algemene relativiteitstheorie. Deze vergelijking volgt in de volgende sectie.
4.8.2 Schwarzschild-Benadering
Voor deze benadering beschouwen we de kogelbaan als een deel van een ellips,
waarbij het middelpunt van de aarde samenvalt met een van de brandpunten.
We gebruiken de resultaten uit de Schwarzschild-vergelijking uit hoofdstuk 4.7,
Alternatieve Afleiding van de Baanvergelijking.
Voor het baantraject geldt dat de semi-grote as:
\begin{align}
a = \frac{L^2}{G M} \frac{1}{1 - e^2}
\label{eq:R571}
\end{align}
De parameter e is de excentriciteit van de kogelbaan. Het perihelium is:
\begin{align}
r_1 = a (1 - e)
\label{eq:R572}
\end{align}
en het aphelium:
\begin{align}
r_2 = a (1 + e)
\label{eq:R573}
\end{align}
\begin{align}\Rightarrow
e = \frac{r_2 - r_1}{r_2 + r_1}
\label{eq:R575}
\end{align}
Voor een cirkel geldt dus \(e = 0\,\, \text{en} \,\,r = r_1 = r_2 = a\).
Voor een ellips met het middelpunt van de aarde in de linker focus geldt:
We bepalen nu de hoek \(α\) tussen de snelheid \(v\) (tangentaal aan de ellips)
en de loodrechte component \(v_{per}\) om het impulsmoment te bepalen.
In dit experiment is \(v\) de totale snelheid van de kogel langs de ellips, terwijl \(v_{per}\) de
component van de snelheid 𝑣 is ten opzichte van het aardoppervlak en zoals vermeld
loodrecht op \(r(\phi)\).
Hier is \( D \) de horizontale afstand van de kogel op aarde,
\( v \) is de startsnelheid van de kogel en \( R \) is de aardstraal.
Zoals hierboven gezien is:
De vertrekpunten voor deze afleiding zijn de snelheid van de kogel langs het aardoppervlak (\(v_{x0}=v_{per}\)
loodrecht op \(𝑟\)) en de vereiste afstand \(D\). Dus, op het startpunt waar de kogel is gelanceerd, kennen we
de positie en de impuls van de kogel en zouden we in staat moeten zijn om de baan te berekenen.
\( L = v_{x0}\cdot R_{\text{Earth}} \hspace{13em}\text{dus}\,\,\epsilon\, \text{is L functie van }L\left(v_{x0}\right) \)
\( a = \dfrac{L^2}{G M (1-e^2)} \hspace{12em}\text{dus}\,\,a\left(v_{x0},D\right) \)
\( h = a(1+e) - R \hspace{12em} \text{dus}\,\,h\left(v_{x0},D\right) \)
Met deze formules kunnen, uitgaande van de startsnelheid en de vereiste afstand,
de volledige baan en het hoogste punt van de kogel relativistisch worden berekend.
Gedetailleerde resultaten van berekeningen
Gedetailleerde resultaten van berekeningen voor het bovengenoemde voorbeeld.
De startpunten zijn de (loodrecht op r) snelheid van de kogel en
de af te leggen afstand.
Newton
Schwarzschild
Parameter
5 m/s
500 m/s
500 m/s
1000 m/s
5 m/s
500 m/s
500 m/s
1000 m/s
Afstand (m)
10
10
2000
2000
10
10
2000
2000
vr0 (m/s)
9.87
0.10
19.73
9.87
9.76
0.10
19.66
9.71
Snelheid (m/s)
11
500
500
1000
11
500
500
1000
\(\epsilon\)
-
-
-
-
5.25×10-3
5×10-7
5.25×10-7
1×10-7
e (excentriciteit)
–
–
–
–
1.000
0.996
0.996
0.984
a (m)
–
–
–
–
3.18×106
3.18×106
3.18×106
3.20×106
h (m)
4.93
4.93×10-4
19.73
4.93
4.88
4.91×10-4
19.66
4.85
α (rad)
1.10
0.000
0.04
0.010
1.10
0.000
0.04
0.010
α (deg)
63.13
0.0113
2.26
0.565
62.88
0.0113
2.25
0.556
Φ (rad)
–
–
–
–
7.87×10-7
7.87×10-7
1.57×10-4
1.57×10-4
L (impulsmoment)
3.18×107
3.18×109
3.18×109
6.36×109
3.18×107
3.18×109
3.18×109
6.36×109
cos(α)
0.4520
1.0000
0.9992
1.0000
0.4558
1.0000
0.9992
1.0000
cos(α + Φ)
–
–
–
–
0.4558
1.000
0.9992
1.000
Omtrek (km)
-
-
-
-
12662
12894
12894
13346
3) Analyse van de resultaten
Hoogteverschillen
In het klassieke geval is de maximale hoogte van het projectiel
\( h \approx 4.93 \,\text{m} \)
bij lage snelheden. In de Schwarzschild-benadering is deze licht lager
(bijvoorbeeld \( h \approx 4.88 \,\text{m} \)),
wat wijst op een sterkere effectieve zwaartekracht.
Excentriciteit
Een excentriciteit van exact
\( e = 1 \)
impliceert de klassieke parabool.
De Schwarzschild-benadering toont dat de banen licht elliptisch zijn met
\( e < 1. \)
Voor een horizontale snelheid van 500 m/s blijkt
\( e \approx 0.996, \)
terwijl bij 5 m/s
\( e \approx 1, \)
wat overeenkomt met een bijna-parabolische baan.
Richtingshoek
De afwijking in richtingshoek
\( \Phi \)
is zeer klein bij lage snelheden, maar meetbaar bij hogere energieën.
Voor een projectiel van 500 m/s over 2 km bedraagt de afwijking
\( \Phi \approx 1.57 \times 10^{-4} \,\text{rad}, \)
wat overeenkomt met een precessie van de ellips-as.
Impulsmoment en cirkelomtrek
Het impulsmoment
\( L \)
neemt toe met de beginsnelheid.
De bijbehorende (benaderde) omtrek van de elliptische baan toont eveneens
een toename, wat de langere afgelegde weg van een krachtig projectiel
weerspiegelt.
4.8.3 Conclusie
Newtoniaanse ballistiek is een uitstekende benadering voor dagelijkse situaties.
Relativistische correcties zijn subtiel, maar onmisbaar voor zeer nauwkeurige toepassingen en bij hoge snelheden.
De Schwarzschild-benadering toont dat zelfs een simpele kogelbaan in principe beïnvloed wordt door de kromming van ruimte-tijd.