Afleidingen, Toepassingen en Beschouwingen – door Albert Prins
Deel V – Coördinaten en Formele Analyse
5 Coördinatensystemen
5.1 Rechthoekig (Cartesiaans) Coördinatensysteem
Om onderscheid te maken tussen punten in de ruimte wordt een coördinatensysteem gecreëerd.
De belangrijkste kenmerken van een coördinatensysteem zijn het oorsprongspunt en de
coördinaatassen. Het oorsprongspunt kan gekozen worden op basis van wat het meest praktisch is,
en voor de assen wordt meestal een Cartesiaans systeem gekozen omdat dit door zijn eenvoud
wiskundig goed hanteerbaar is.
In een Cartesiaans coördinatensysteem:
Staan de assen loodrecht (orthogonaal) op elkaar.
Zijn de assen onafhankelijk van elkaar, d.w.z. het veranderen van de waarde van één coördinaat heeft geen invloed op de andere.
Hebben de assen een richting en grootte en kunnen daarom als vectoren worden beschouwd.
Een punt in de ruimte wordt weergegeven door zijn coördinaten, bijvoorbeeld
\( A(x_a, y_a) \).
De \( x_a \) kan worden gevonden door een lijn te tekenen die parallel loopt aan de y-as;
waar die lijn de x-as snijdt, ligt het punt \( x_a \). Hetzelfde geldt voor \( y_a \).
De afstand van punt A tot het oorsprongspunt kan worden gevonden met Pythagoras:
Het voordeel hiervan is dat de lengte van het lijnstuk onafhankelijk is van het willekeurig
gekozen oorsprongspunt; d.w.z. de waarden van \( x_a, y_a, x_b, y_b \) veranderen wel,
maar het verschil \( |A - B| \), wat de lengte van het lijnstuk is, verandert niet.
5.2 Niet-Orthogonaal Coördinatensysteem
Om praktische redenen kan ook een coördinatensysteem worden gekozen waarvan de assen niet
orthogonaal zijn. Ook in zo’n systeem kunnen we posities en afstanden beschrijven, maar de
berekeningen worden iets complexer.
Een lijnstuk \( s \) in dit systeem is de som van de basisvectoren:
Dit is de bekende cosinusregel.
Dus, naast de kwadraten van de coördinaten maakt ook het product van de coördinaten deel uit van de vergelijking.
5.3 Gekromde Coördinaten
In plaats van coördinaatassen die niet orthogonaal zijn, kan het ook praktisch zijn om
gekromde coördinaten te gebruiken. Werken met deze coördinaten is uiteraard complexer,
maar Einstein hanteerde de volgende benadering:
Een gekromde lijn kan worden beschouwd als een lijn opgebouwd uit oneindig kleine rechte
lijnen. Door te kijken naar een oneindig klein gebied kunnen deze gekromde coördinaten
worden beschouwd als een lokaal coördinatensysteem met rechte (lineaire) coördinaten,
die echter niet per se rechthoekig zijn.
Omdat het coördinatensysteem hier oneindig kleine coördinaten betreft, worden de
coördinaten aangeduid als \( dx, dy \) enzovoort. Bovendien hebben deze coördinaten
coëfficiënten, en deze coëfficiënten bevatten informatie over de kromming van de
coördinatensystemen. In het geval van kromming zijn deze coëfficiënten dus geen constante
meer, maar parameters die afhankelijk zijn van hun locatie langs de coördinatensystemen.
Er wordt gezegd dat zwaartekracht de coördinatensystemen buigt en zo de ruimte‑tijd
vervormt, wat een zwaartekrachtveld creëert en daardoor versnelling veroorzaakt. Door
echter een gekromd coördinatensysteem zo te kiezen dat het zich beweegt en buigt in de
richting van het zwaartekrachtsveld, wordt er geen kracht of zwaartekracht ervaren;
op dezelfde manier als in de speciale relativiteitstheorie een bewegend coördinatensysteem
werd gekozen om de snelheid van het bewegende object te neutraliseren.
5.4 Algemene Vorm voor een Coördinatensysteem
Laten we een vergelijking afleiden voor de relatie tussen een lijnsegment en zijn gebogen
coördinatensysteem.
Zoals eerder vermeld is een oneindig klein lijnsegment \( d\vec{s} \) een vector, en de grootte
kan worden berekend zoals hierboven getoond:
De \( g_{\mu\nu} \) wordt de metrische tensor genoemd en kan, in dit tweedimensionale
coördinatensysteem, worden beschouwd als een matrix met 2×2 elementen:
De waarde van \( ds^{2} \) blijft onveranderd bij verandering van
coördinatenstelsel, mits de bijhorende metriek correct aangepast wordt.
Dat wil zeggen:
Hier zie je dat \( g_{\mu\nu} \) de “weegfactor” is die bepaalt hoe de
infinitesimale verplaatsingen in de \( \mu \)- en \( \nu \)-richting bijdragen aan
de lengte.
De diagonaalelementen \( g_{\mu\mu} \) kun je zien als de “schaalfactoren” voor de bijbehorende coördinaatrichting.
De niet‑diagonaalelementen \( g_{\mu\nu} \) met \( \mu \neq \nu \) beschrijven juist of de coördinaatrichtingen scheef staan (dus niet loodrecht zijn).
In zekere zin zijn die verwant aan richtingscosinussen (projecties van de ene as op de andere).
Samenvattend
Een coördinatensysteem is een hulpmiddel om de ruimte te structureren; afstanden kunnen daarin worden berekend.
In orthogonale systemen geldt Pythagoras; in niet‑orthogonale systemen de cosinusregel.
Gekromde coördinatenstelsels zijn nodig om zwaartekrachtsvelden in de algemene relativiteitstheorie te beschrijven.
De metriek \( g_{\mu\nu} \) bevat alle informatie over afstandsbepaling en kromming van de ruimte of ruimte‑tijd.
5.6 Transformatie tussen twee Coördinatensystemen
Zoals eerder vermeld kan bij een gebogen coördinatensysteem “lokaal”, in een
oneindig klein gebied, een coördinatensysteem met rechte lijnen worden gebruikt.
Voor een vierdimensionaal coördinatensysteem heeft elke nieuwe coördinaat, in het
nieuwe \( x \)-stelsel, een lineaire relatie met alle oude coördinaten in het
oude \( y \)-stelsel, volgens:
De sommatie gebeurt over de herhaalde index \( r \). Hierbij wordt impliciet gesommeerd
over de index \( r \) volgens de Einstein‑notatie. Dit betekent dat voor elke waarde van
\( m \), de afgeleiden over alle waarden van \( r \) (van 0 tot 3) worden opgeteld.
Deze formule beschrijft hoe een infinitesimale verandering in het nieuwe
coördinatenstelsel \( x^{m} \) wordt opgebouwd uit veranderingen in het oude stelsel
\( y^{r} \).
5.6.1 Uitgebreide Toelichting op de Metrische Tensor
We beginnen met een Cartesiaans coördinatenstelsel, dat in dit geval vergelijkbaar is met
de Minkowski‑vergelijking (zie hoofdstuk 5.10.1 en
Appendix 9.1
vergelijking (35)) in de
speciale relativiteitstheorie:
Nu beschouwen we een willekeurig coördinatenstelsel \( y^{\alpha} \), met coördinaten
\( y^{0}, y^{1}, y^{2}, y^{3} \). De relatie tussen het oude en het nieuwe stelsel wordt
gegeven door de kettingregel:
Deze formule beschrijft hoe de componenten van de metrische tensor transformeren onder
een algemene coördinatentransformatie. Het is een fundamenteel resultaat in de algemene
relativiteitstheorie en vormt de basis voor het begrip van gekromde ruimte‑tijd.
5.7 Transformatie tussen Cartesiaanse en Polaire (infinitesimale) Coördinaten
Als voorbeeld voeren we nu de transformatie uit van een Cartesiaans naar een sferisch
(polair) coördinatenstelsel. We nemen aan dat de lezer bekend is met de standaardtransformatie
tussen beide stelsels:
\begin{equation}
x = r\sin\theta\cos\varphi,\qquad
y = r\sin\theta\sin\varphi,\qquad
z = r\cos\theta.
\end{equation}
Afleiding van \( dx, dy, dz \)
We differentiëren bovenstaande uitdrukkingen om de infinitesimale verplaatsingen
te verkrijgen:
Dit bevestigt het bekende resultaat voor het volume van een bol.
5.8 Oefening: Toepassen van de Metrische Transformatieformule
We laten hier zien hoe de metrische transformatieformule formeel wordt toegepast bij het
overgaan van een Cartesisch naar een polair (sferisch) coördinatensysteem.
Dit komt overeen met de metriek van een polair coördinatensysteem in een driedimensionale ruimte.
Conclusie
De toepassing van de metrische transformatieformule op de overgang van Cartesiaanse naar
sferische coördinaten leidt tot de verwachte sferische vorm van de ruimte‑tijd‑metriek.
Deze oefening illustreert hoe tensortransformaties de coördinaat‑invariantie van fysische
wetten garanderen binnen de algemene relativiteitstheorie.
5.9 Verdere Overwegingen over Co‑ en Contravariante Transformaties
5.9.1 Inleiding
In deze sectie onderzoeken we hoe basisvectoren en vectorcomponenten transformeren onder
een coördinatentransformatie. We bekijken zowel de directe als de inverse transformatie
en controleren hun consistentie. Deze overwegingen vormen de basis voor het begrip van
covariante en contravariante objecten in de tensoranalyse.
5.9.2 Covariante Transformatie van Basisvectoren en Duale Vectoren (één‑vormen)
Beschouw een tweedimensionale vectorruimte met oorspronkelijke basisvectoren
\( e_{1} \) en \( e_{2} \), die getransformeerd worden naar een nieuw
coördinatenstelsel met basisvectoren \( e_{1}' \) en \( e_{2}' \).
Deze transformatie is lineair en kan geschreven worden als:
5.9.2.1 Inverse Transformatie van de Basisvectoren
Om de inverse transformatie (van het getransformeerde naar het oorspronkelijke systeem)
te vinden, lossen we \( e_{1} \) en \( e_{2} \) op in termen van
\( e_{1}' \) en \( e_{2}' \).
Stap 1: Lineaire combinatie opstellen
We nemen combinaties van de oorspronkelijke transformaties om \( e_{1} \) te isoleren:
We hebben de covariante transformatie voor basisvectoren en de inverse ervan afgeleid in
een tweedimensionale ruimte. We hebben gecontroleerd dat de transformatie en de inverse
elkaar opheffen tot de eenheidsmatrix, wat de consistentie van de transformatie tussen
basisvectoren in verschillende coördinatensystemen bevestigt. Deze formele consistentie
is essentieel voor het correct toepassen van tensortransformaties in de algemene
relativiteitstheorie.
5.9.3 Contravariante Transformatie van Vectorcomponenten
In de differentiaalmeetkunde is het essentieel om onderscheid te maken tussen hoe
basisvectoren (covariant) en hoe de componenten van vectoren (contravariant)
transformeren onder een coördinatentransformatie. In deze sectie bekijken we de
transformatie‑eigenschappen van contravariante vectorcomponenten in een tweedimensionale
ruimte.
Vectorinvariantie en Componenttransformatie
Een vector \(V\) blijft geometrisch gezien hetzelfde onder een coördinatentransformatie,
maar zijn componenten veranderen.
In het oorspronkelijke coördinatensysteem schrijven we:
\begin{equation}
V = V^{1} e_{1} + V^{2} e_{2},
\end{equation}
en in het nieuwe (getransformeerde) systeem:
\begin{equation}
V = V^{1'} e_{1}' + V^{2'} e_{2}'.
\end{equation}
Aangezien de vector zelf invariant blijft, moeten de componenten \(V^{i}\) veranderen
wanneer de basisvectoren veranderen.
Basisverandering
De nieuwe basisvectoren zijn lineair gerelateerd aan de oorspronkelijke basisvectoren via
een matrix \(A\):
Terwijl de relatie tussen de componenten
\(\begin{pmatrix}V^{1} \\ V^{2}\end{pmatrix}\)
en
\(\begin{pmatrix}V^{1'} \\ V^{2'}\end{pmatrix}\)
wordt gegeven door de getransponeerde matrix:
Wanneer het coördinatensysteem verandert, transformeren de basisvectoren volgens een
matrix \(A\), terwijl de vectorcomponenten transformeren met de inverse getransponeerde
\((A^{-1})^{T}\).
Deze contravariante transformatie zorgt ervoor dat de vector \(V\) zelf invariant blijft:
zijn representatie past zich aan de veranderende basis aan, zodat de meetkundige
betekenis behouden blijft.
5.10 Overwegingen over de Minkowski‑ en Schwarzschild‑Formules
5.10.1 Minkowski‑ruimte
De Minkowski‑metriek wordt gebruikt binnen de speciale relativiteitstheorie, waarin de
effecten van zwaartekracht en versnelling worden verwaarloosd. In deze context bewegen
referentiestelsels uniform met constante snelheid ten opzichte van elkaar, en het
gebruikte coördinatenstelsel is lineair en vlak.
Beschouw een punt \(K\) in de ruimte‑tijd met een eigen coördinatensysteem.
In dit systeem bevindt \(K\) zich voortdurend in de oorsprong, zodat enkel de tijd
voortschrijdt. De afstand in ruimte‑tijd — het interval — is dan gegeven door:
\begin{equation}
s = c\,\tau,
\end{equation}
waarbij \( \tau \) de eigen tijd is, gemeten door een klok die meebeweegt met \(K\).
Een waarnemer bevindt zich elders in de ruimte‑tijd met een ander inertiaalstelsel,
dat relatief beweegt ten opzichte van \(K\). Indien de waarnemer waarneemt dat \(K\)
zich in de ruimte verplaatst, dan is de gemeten snelheid van \(K\):
Dit differentiaalsegment is als het ware een raaklijn aan de wereldlijn in ruimte‑tijd.
Ook als de wereldlijn gekromd is (zoals bij versnelling of in aanwezigheid van
zwaartekracht), kunnen we haar lokaal benaderen als opgebouwd uit lineaire segmenten.
De coördinaten \(t, x, y, z\) vertegenwoordigen vier componenten van een
ruimte‑tijdvector. In een orthogonaal coördinatenstelsel (zoals in de Minkowski‑ruimte)
kan het interval worden berekend via een gegeneraliseerde Pythagoras‑stelling.
Indien we de tijdscomponent als imaginair nemen \(ict\), en de ruimtecomponenten als
reëel, dan volgt de bekende Minkowski‑vorm.
Algemene structuur van het interval
We moeten beseffen dat \(t, x, y, z\) een grootte en richting hebben; het zijn vectoren.
Het vinden van de grootte van \(s\) betekent het optellen van de vier vectoren.
Als dit coördinatensysteem een orthogonaal systeem is, kan de stelling van Pythagoras
worden toegepast op het ruimtedeel.
Als we het tijdsdeel beschouwen als complex \(ic\,dt\), en voor de linkerkant
\(ds = ic\,d\tau\), dan krijgen we door de coördinaten te kwadrateren de
Minkowski‑formule.
In twee dimensies kunnen we schrijven:
\begin{equation}
s = a_{1}x_{1} + a_{2}x_{2}.
\end{equation}
Om de grootte van \(s\) te vinden, berekenen we het inproduct van \(s\) met zichzelf:
\begin{equation}
s \cdot s
= (a_{1}x_{1} + a_{2}x_{2}) \cdot (a_{1}x_{1} + a_{2}x_{2}),
\end{equation}
Bij gebruik van een lokaal orthogonaal coördinatenstelsel verdwijnen alle producten
waarbij \( \mu \neq \nu \).
Als alleen een infinitesimaal klein lokaal gebied wordt beschouwd, wordt \(dx\) in plaats
van \(x\) gebruikt, en hetzelfde geldt voor de overige coördinaten.
Ten slotte resulteert de vergelijking in een Minkowski‑ of Schwarzschild‑vorm:
De linkerzijde representeert een object dat zich in zijn eigen (meebewegende)
referentiestelsel bevindt: het ervaart uitsluitend een voortgang in eigen tijd \( \tau \).
Een waarnemer in het coördinatenstelsel \(t, x, y, z\) ziet het object bewegen met
snelheid:
Hier is \( \tau \) de zogenaamde eigen tijd, de tijd van een bewegende klok die zich in de
oorsprong van zijn eigen meebewegende coördinatenstelsel bevindt.
De relatie tussen eigen tijd en waarnemerstijd is:
Omdat \( \gamma \ge 1 \), is \( d\tau \le dt \):
een bewegende klok loopt langzamer dan een klok in rust vanuit het perspectief van een
externe waarnemer.
5.10.2 Transformaties uitgevoerd door Schwarzschild
De Schwarzschild‑metriek vormt een uitbreiding van de Minkowski‑metriek doordat ze ook
rekening houdt met de effecten van massa en zwaartekracht. In tegenstelling tot de vlakke
ruimte‑tijd van de speciale relativiteitstheorie resulteert dit in een gekromde
ruimte‑tijd. Deze kromming vertaalt zich in een niet‑lineair coördinatenstelsel,
aangepast aan de sferische symmetrie rond een massief lichaam.
Van Cartesisch naar sferisch
Schwarzschild begint met de gebruikelijke vlakke (Cartesiaanse) coördinaten en voert een
transformatie uit naar sferische coördinaten \(r, \theta, \varphi\).
Dit resulteert in de volgende uitdrukking voor het ruimte‑tijd‑interval
(in natuurlijke eenheden \(G=c=1\), maar hier behouden we \(c\) expliciet):
Einstein had echter in zijn veldvergelijkingen graag dat in geschikte coördinaten
\(g = -1\) zou gelden (zoals bij de Minkowski‑metriek).
Schwarzschild onderzoekt daarom of er een coördinatentransformatie bestaat die deze
voorwaarde oplevert.
Transformatie naar nieuwe coördinaten
(Volgende stap: hier kun je de Schwarzschild‑radiaaltransformatie invoeren, zoals
\(R^{3} = r^{3} + \alpha^{3}\), of de isotrope coördinaten, afhankelijk van welke
richting je verder wilt uitwerken.)
Om de determinant te normaliseren tot \( g = -1 \), definieert Schwarzschild nieuwe
coördinaten \(x_{1}, x_{2}, x_{3}\), gebaseerd op:
Schwarzschild merkt op: “De nieuwe variabelen zijn de poolcoördinaten met determinant 1”.
Om deze afgeleiden te verkrijgen, vindt hij de volgende relaties:
\begin{equation}
g = g_{00}\cdot g_{11}\cdot g_{22}\cdot g_{33} = -1.
\end{equation}
Precies zoals gewenst.
De transformatie die Schwarzschild uitvoerde is dus geldig en resulteert in een metriek
met determinant \(-1\), ondanks de gekromde aard van de ruimte‑tijd.
Bijzondere gevallen
In het specifieke geval \( \theta = 90^\circ \) geldt \( \cos\theta = 0 \) en dus
\( x_{2} = 0 \), wat leidt tot:
In dit vlak rond het equatoriale vlak wordt de metriek nog eenvoudiger van vorm.
5.11 Schwarzschild’s: “On the Gravitational Field of a Mass Point According to Einstein’s Theory”
Het doel van Karl Schwarzschild in zijn artikel uit 1916 was het vinden van een exacte
oplossing van de Einstein‑veldvergelijkingen in vacuüm. Deze oplossing beschrijft de
ruimte‑tijd rond een massapunt dat langs een geodetische lijn beweegt in een
vierdimensionale variëteit, waarbij het ruimte‑tijd‑interval \(ds\) centraal staat.
Voorwaarden voor de oplossing
De volgende voorwaarden worden aan de oplossing gesteld:
Tijdsonafhankelijkheid:
Alle componenten van de metriek zijn onafhankelijk van de tijdscoördinaat \(x^{4}\).
Geen ruimte‑tijd‑koppeling:
De gemengde componenten \(g_{\rho 4} = g_{4\rho} = 0\) voor \(\rho = 1,2,3\).
Sferische symmetrie:
De oplossing is invariant onder orthogonale transformaties (rotaties) van
\(x_{1}, x_{2}, x_{3}\); dit reflecteert sferische symmetrie.
Asymptotische vlakheid:
Op oneindige afstand verdwijnen de componenten van de metrische tensor, met:
Omdat de determinant van de metriek in dit geval niet gelijk is aan \(-1\), voert
Schwarzschild een transformatie uit naar nieuwe variabelen waarmee deze voorwaarde wel
vervuld wordt. Hij definieert:
Door deze metriek in te vullen in de Einstein‑veldvergelijkingen en deze op te lossen in
vacuum (\(T_{\mu\nu} = 0\)), vindt Schwarzschild de bekende oplossing:
Deze vergelijking beschrijft de gekromde ruimte‑tijd rondom een sferisch symmetrisch
massapunt in vacuüm. Hoewel Schwarzschild zijn afleiding begon met Cartesiaanse
coördinaten, is de uiteindelijke oplossing handiger en inzichtelijker in bolcoördinaten,
gezien de sferische symmetrie van het probleem.
Schwarzschild‑oplossing in Cartesiaanse coördinaten
Er bestaat ook een minder gebruikelijke vorm van de Schwarzschild‑oplossing in
Cartesiaanse coördinaten, die als volgt luidt:
Deze vorm is echter zelden praktisch, omdat bolcoördinaten veel beter passen bij de
symmetrie van het probleem, bijvoorbeeld in toepassingen zoals de beschrijving van zwarte
gaten of de buitenkant van sterren.
Bronnen
K. Schwarzschild, On the Gravitational Field of a Point‑Mass, According to Einstein's Theory, 13 januari 1916.
G. Oas, diverse besprekingen en analyses van de Schwarzschild‑oplossing. Zie ook het hoofdstuk Bibliografie aan het einde van dit document.
De Schwarzschild‑oplossing vormt een hoeksteen van de algemene relativiteitstheorie en
wordt veelvuldig toegepast in de astrofysica bij de studie van zwarte gaten,
neutronensterren en andere objecten met extreem sterke zwaartekrachtsvelden.