Samenvatting van een aantal overpeinzingen.
Kernzin:
Menselijk gedrag is het resultaat van evolutionaire drijfveren, neurologische
beloningen en sociale structuren, waarbij zowel zelfgericht gedrag als empathie
evolutionaire functies vervullen.
Wanneer we de voorgaande beschouwingen samenbrengen, ontstaat een beeld van de mens dat zowel biologisch, neurologisch als sociaal bepaald is. De mens is geen losstaand moreel wezen dat vrij en onafhankelijk kiest wat goed of kwaad is, maar een organisme waarvan gedrag voortkomt uit een complex samenspel van factoren.
In de eerste plaats wordt alles wat wij doen aangestuurd door onze hersenen. De structuur van die hersenen verschilt van persoon tot persoon en is in belangrijke mate bepaald door onze genen, die wij hebben geërfd van onze (voor)ouders. Dit verklaart waarom mensen zich verschillend gedragen: niet omdat zij fundamenteel andere doelen hebben, maar omdat hun neurologische “configuratie” anders is.
Gedrag wordt daarbij gestuurd door beloningsmechanismen. Een belangrijk element daarin is het vrijkomen van dopamine in de hersenen, onder andere in de hypothalamus. Dit werkt als een vorm van beloning: gedrag dat leidt tot een prettig gevoel, wordt versterkt en zal eerder herhaald worden.
Daaruit volgt dat ieder mens, bewust of onbewust, streeft naar situaties die dit beloningsgevoel oproepen. Wat dat precies inhoudt, verschilt per persoon. Voor de één betekent dat handelen in eigen belang; voor de ander juist handelen in het belang van anderen. Ook altruïstisch gedrag kan immers een beloningsgevoel geven, bijvoorbeeld doordat het waardering oplevert binnen de groep.
Op die manier ontstaat een belangrijk inzicht: gedrag dat wij als “goed” beschouwen, is vaak gedrag dat door ons brein wordt beloond. Maar dat betekent niet dat het objectief goed is, het betekent dat het functioneel is binnen het systeem waarin wij leven.
Wanneer we dit verder doortrekken naar het biologische niveau, zien we dat DNA de basis vormt van deze processen. DNA bevat de “programmering” van het lichaam en blijft binnen de cel, terwijl RNA als boodschapper fungeert om die informatie over te dragen en nieuwe cellen van de juiste functionaliteit te voorzien.
In dit genetische systeem ligt ook de basis van onze drijfveren: het streven naar voortbestaan, zowel van het individu als van de groep. Dit uit zich in een combinatie van zelfgericht gedrag en altruïsme, beide zijn geen morele keuzes, maar evolutionair ontwikkelde eigenschappen.
Het is belangrijk om daar geen waardeoordeel aan te verbinden. Deze eigenschappen zijn voorwaarden voor ons bestaan. Soorten waarin deze eigenschappen onvoldoende aanwezig waren, zijn simpelweg verdwenen. Wat overblijft, zijn die soorten, waaronder de mens, die over de juiste combinatie van eigenschappen beschikken om te blijven bestaan.
Daarbij is variatie essentieel. Zonder variatie zou een soort zich niet kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden. Diversiteit is dus geen bijproduct, maar een noodzakelijke voorwaarde voor voortbestaan.
Dit alles ondersteunt een gedachte die onder andere door Swaab wordt verwoord: het leven heeft geen vooraf gegeven doel. Wat wij als doel ervaren, is het resultaat van processen die gericht zijn op voortbestaan, niet op betekenis.
Toch blijft de vraag naar moraliteit ons bezighouden. Filosofen zoals Susan Neiman stellen de vraag of de mens van nature goed is of juist zelfgericht. Het feit dat deze vraag telkens terugkomt, suggereert dat de mens een diepgewortelde behoefte heeft om moraliteit te veronderstellen of te vinden.
Dat is op zichzelf al betekenisvol.
Het wijst erop dat moraliteit, los van haar objectieve status, een belangrijke rol speelt in hoe mensen zichzelf en hun gedrag begrijpen.
Maar misschien moeten we het begrip moraliteit anders benaderen. Niet als iets absoluuts, maar als een uitdrukking van onderliggende drijfveren.
De mens heeft, door evolutie, zowel:
- zelfbehoud als individu
- als gerichtheid op de groep
Daaruit volgt dat zowel egoïstisch gedrag als altruïsme noodzakelijk zijn. Zonder één van beide zou de soort niet hebben kunnen voortbestaan.
Het heeft daarom weinig zin om het één als “goed” en het ander als “kwaad” te bestempelen. Het zijn complementaire eigenschappen binnen een functionerend systeem.
Dit zien we niet alleen bij mensen, maar ook bij andere diersoorten. Primaten, dolfijnen, olifanten en vele andere soorten vertonen gedrag dat wij als sociaal, empathisch of zelfs moreel zouden omschrijven, zonder dat zij beschikken over religies, wetboeken of expliciete morele systemen.
Dat suggereert dat deze eigenschappen niet cultureel opgelegd zijn, maar biologisch verankerd.
Het bekende voorbeeld van een leeuw die een lam doodt, illustreert dit scherp. Vanuit menselijk perspectief kan dat als wreed worden gezien. Maar binnen het systeem is het noodzakelijk gedrag: zonder dit gedrag zouden de welpen van de leeuw verhongeren.
De vraag of dit “goed” of “kwaad” is, verliest daarmee zijn betekenis.
Wat overblijft, is functionaliteit.
Ook de gedachte dat dit alles zou reduceren tot een “chemisch proces” roept soms weerstand op. Maar zelfs als dat zo is, als gevoelens van geluk, liefde en betekenis voortkomen uit chemische processen, doet dat niets af aan de ervaring zelf.
We leven, ervaren, genieten, streven, ongeacht de onderliggende mechanismen.
Dat dit alles plaatsvindt zonder expliciet doel of hogere opdracht, heeft de mensheid er niet van weerhouden zich te ontwikkelen, voort te planten en complexe samenlevingen te vormen.
Filosofisch gezien is het interessant dat al vóór religieuze systemen zoals het christendom, denkers als Aristoteles ethische beschouwingen ontwikkelden die sterk lijken op latere morele systemen. Dit suggereert dat ethiek niet noodzakelijk afhankelijk is van religie, maar voortkomt uit algemene menselijke eigenschappen.
Religies kunnen deze systemen versterken of structureren, maar lijken niet hun oorsprong te zijn.
Wanneer we tenslotte een stap terug doen en de mens plaatsen binnen het grotere geheel, het universum, wordt duidelijk dat menselijke ethiek slechts een lokaal fenomeen is.
Vanuit een holistisch perspectief bestaan er geen absolute morele regels. Wat wij als ethiek beschouwen, zijn afspraken en interpretaties binnen het menselijke domein.
Deze kunnen zelfs in conflict komen met bredere systemen, zoals:
- de aarde
- ecosystemen
- natuurlijke hulpbronnen
De natuur zelf kent geen moraal, maar volgt processen die leiden tot evenwicht. In dat opzicht is misschien alleen de tweede hoofdwet van de thermodynamica een universeel principe: systemen bewegen richting entropie en evenwicht.
Maar daarin ligt geen ethiek besloten.
Wat dit alles vraagt van de mens, is bescheidenheid.
Bescheidenheid in onze overtuigingen over goed en kwaad. Bescheidenheid in onze plaats binnen het geheel.
En vooral het besef dat onze morele systemen niet universeel zijn, maar voortkomen uit wie wij zijn.