Mensen

Over de Relativiteit van Ethiek, Evolutie en Gedrag

door Albert Prins

De Paradox van gelijkheid


Dit hoofdstuk raakt aan een spanningsveld dat door het hele boek loopt: kan men tegelijk vasthouden aan moreel relativisme en toch een voorkeur uitspreken voor rechtvaardigheid boven onrecht? Die spanning wordt hier niet opgelost, zij wordt bewust opengehouden als de meest eerlijke positie die een denkend mens kan innemen.

De droom van gelijkheid

Kernzin:
Gelijkheid is een krachtig ideaal, maar mogelijk ook een bron van paradox.

Er is nauwelijks een ideaal dat de mensheid zo diep bezighoudt als gelijkheid. Van de Franse Revolutie tot moderne sociale bewegingen, overal klinkt de roep om eerlijkheid, rechtvaardigheid en gelijke kansen. Mensen ervaren ongelijkheid als een onrecht, als iets wat gecorrigeerd moet worden.

Maar hier rijst een fundamentele vraag: wat als ongelijkheid niet alleen een probleem is, maar ook een voorwaarde voor beweging?

Wat als volledige gelijkheid, hoe aantrekkelijk ook, uiteindelijk zou leiden tot stilstand?

Deze overpeinzing gaat niet over de rechtvaardiging van onrecht of uitbuiting. Zij gaat over iets subtielers en paradoxalers: de gedachte dat ongelijkheid niet slechts een probleem is om op te lossen, maar de oerbron van alle menselijke energie, motivatie en leven zelf.

Nietzsche en de kracht van jaloezie

De Bijbel noemt jaloezie een zonde. “Gij zult niet begeren”, luidt het tiende gebod. Jaloezie wordt vaak gezien als een destructieve emotie die relaties ondermijnt en mensen verteert van binnenuit. Maar de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche keek anders naar zulke gevoelens

Nietzsche beschouwde gevoelens van afgunst, nijd en wrok niet simpelweg als morele fouten die onderdrukt moesten worden. Hij zag ze als verschijnselen die iets onthullen over de menselijke natuur. Wanneer iemand jaloers is op een ander, erkent hij immers dat die ander iets bezit wat hij zelf waardevol vindt. Jaloezie wijst daardoor op een verschil tussen wat men is en wat men zou willen zijn.

Nietzsche noemde de verbitterde vorm van deze reactie ressentiment: de toestand waarin iemand zijn onvermogen om een bepaald ideaal te bereiken omzet in afkeer van degene die dat ideaal wel belichaamt. In plaats van zichzelf te ontwikkelen, probeert men dan de ander naar beneden te trekken. Ressentiment leidt niet tot groei, maar tot wrok. Nietzsche zag hierin een belangrijke psychologische kracht achter veel morele systemen die uit zwakte ontstaan.

Maar dezelfde confrontatie met verschil kan ook een andere uitwerking hebben. De succesvolle buurman, de briljante wetenschapper, de sterke atleet of de creatieve kunstenaar kunnen gevoelens oproepen die aanvankelijk op jaloezie lijken, maar die uiteindelijk omslaan in bewondering en ambitie. In dat geval wordt het verschil niet ontkend, maar juist erkend als een uitdaging

Vanuit dat perspectief krijgt jaloezie een dubbele betekenis. Zij kan mensen gevangen houden in verbittering, maar zij kan ook dienen als een signaal dat wijst op mogelijkheden tot ontwikkeling. Het gevoel zegt als het ware: daar bevindt zich iets wat ik bewonder, iets wat ik zelf misschien eveneens kan bereiken.

Nietzsche zou waarschijnlijk niet hebben gezegd dat ongelijkheid moet verdwijnen. Integendeel, hij zag verschillen in kracht, talent, karakter en scheppend vermogen als een onvermijdelijk onderdeel van het menselijk bestaan. Juist deze verschillen zetten mensen volgens hem in beweging. Niet de afwezigheid van ongelijkheid, maar de confrontatie ermee kan de aanleiding vormen tot zelfoverwinning, groei en creativiteit.

In die zin krijgt ongelijkheid een paradoxale rol. Hoewel verschillen tussen mensen spanningen kunnen veroorzaken, vormen zij tegelijkertijd een belangrijke bron van menselijke ontwikkeling. Zonder het besef dat anderen beschikken over kennis, vaardigheden of prestaties die wij zelf nog niet bezitten, zou een belangrijk deel van onze motivatie om te leren, te werken en onszelf te verbeteren verdwijnen. Het zijn vaak juist de verschillen tussen mensen die hen vooruit doen bewegen

De les van de natuur: energie vloeit van ongelijk naar gelijk

De natuur kent geen genade voor abstracte idealen, zij werkt volgens onverbiddelijke wetten. En een van die wetten luidt: energie stroomt altijd van een toestand van ongelijkheid naar gelijkheid. Nergens is dit eenvoudiger te zien dan in het beeld van twee verbonden regentonnen.

Stel je voor: twee regentonnen staan naast elkaar, verbonden door een slang. De ene ton is vol, tot de rand gevuld met regenwater. De andere is leeg. Op het moment dat de verbinding tot stand komt, begint het water te stromen, van vol naar leeg, van hoog naar laag, van meer naar minder. Er is beweging, er is energie, er is activiteit. En al dat leven dankt zijn bestaan aan één ding: de ongelijkheid tussen de twee tonnen.

Nu als beide tonnen precies even vol zijn. Er stroomt niets. Er gebeurt niets. De stilstand is compleet. Gelijkheid, volmaakte, absolute gelijkheid, betekent het einde van iedere stroming, iedere uitwisseling, iedere activiteit. Thermodynamici noemen dit de toestand van maximale entropie: alles is verdeeld, alles is gelijk, en juist daarom is er geen energie meer om iets te doen.

Hetzelfde principe zien we overal in de natuur. Wind ontstaat doordat luchtdruk op de ene plek hoger is dan op de andere, ongelijkheid drijft de storm. Rivieren stromen omdat het ene punt hoger ligt dan het andere, ongelijkheid voert het water naar zee. Elektrische stroom vloeit omdat er een spanningsverschil bestaat tussen twee punten, ongelijkheid verlicht onze huizen. Zelfs het leven zelf, in zijn meest basale biologische vorm, is afhankelijk van chemische gradiënten en energieverschillen.

Fysische systemen evolueren spontaan naar evenwichtstoestanden, maar daarvoor zijn initiële verschillen noodzakelijk. Het streven is zinvol; de aankomst is de dood.

Een kanttekening is hier op zijn plaats. Thermodynamische wetten beschrijven fysische systemen, geen menselijke samenlevingen. De regenton weet niet dat hij stroomt; de mens kiest. Wat de natuurkundige analogie wél illustreert, is een structureel principe: verschil is een voorwaarde voor beweging. Of dat principe ook voor menselijke motivatie geldt, is een open vraag, maar de alledaagse ervaring lijkt haar te bevestigen: wie niets te verlangen heeft, verliest ook de reden om te handelen.

De grote paradox: streven naar wat ons zou vernietigen

Hier ontvouwt zich een diepe paradox in het menselijk bestaan. De mens streeft naar gelijkheid, naar rechtvaardigheid, naar eerlijke verdeling, naar een wereld zonder onrecht. Dit streven is edel en menselijk en het verdient alle respect. Maar de paradox is dat volledige gelijkheid, mocht zij ooit bereikt worden, het einde zou betekenen van het streven zelf.

Wat zou een mens nog doen in een wereld van perfecte gelijkheid? Waarom zou hij zijn bed uitkomen, een boek schrijven, een bedrijf starten, een relatie aangaan? Iedere motivatie wortelt in een verschil: het verschil tussen waar je bent en waar je wilt zijn, tussen wat je hebt en wat je nastreeft, tussen de wereld zoals zij is en de wereld zoals zij zou kunnen zijn. Volledige gelijkheid zou een belangrijke bron van menselijke motivatie wegnemen: het verschil tussen wat is en wat zou kunnen zijn.

Dit betekent niet dat we moeten stoppen met streven naar een rechtvaardiger wereld. Integendeel. Het betekent dat we het streven zelf moeten koesteren, niet slechts de eindbestemming. De weg naar gelijkheid is waar het leven zich afspeelt. Iedere stap richting meer rechtvaardigheid, iedere overwinning op onrecht, dat is het leven dat de moeite waard is om te leven.

Er bestaat bovendien een tweede vorm van ongelijkheid die vaak over het hoofd wordt gezien: de ongelijkheid tussen wie wij vandaag zijn en wie wij morgen zouden kunnen worden. Zelfs wanneer alle mensen exact dezelfde kansen, middelen en talenten zouden bezitten, zou dit verschil blijven bestaan. De mens leeft niet alleen van vergelijking met anderen, maar ook van de spanning tussen zijn huidige toestand en zijn mogelijke toekomst. Misschien is dit uiteindelijk de meest fundamentele ongelijkheid van allemaal.

Besluit: ongelijkheid als levensvoorwaarde

De wereld leeft bij de gratie van ongelijkheid. Niet omdat ongelijkheid altijd rechtvaardig is, dat is zij verre van altijd. Maar omdat het verschil, de spanning, de afstand tussen wat is en wat kan zijn, de bron is van alle menselijke energie en alle leven op aarde.

Jaloezie, mits omgezet in ambitie, is de kompasnaald die ons wijst op het verschil en ons aanzet het te overbruggen. De volle en de lege regenton vertellen ons dat beweging alleen mogelijk is waar ongelijkheid bestaat. En de thermodynamische wet van entropie fluistert ons het ultieme geheim: wanneer alles gelijk is, is alles over.

Misschien is de wijsheid niet gelegen in het bereiken van gelijkheid, maar in het bewust en moedig blijven streven ernaar. In het ondertussen genieten van de energie die dat streven opwekt. In het erkennen dat het leven zelf, ademend, bewegend, groeiend, bestaat omdat er nog ongelijkheid is om op te reageren.

Men zou kunnen tegenwerpen: als ethiek relatief is en moraal een biologisch construct, waarom zou het streven naar rechtvaardigheid dan "edel" heten? Het antwoord dat dit boek biedt is niet dat rechtvaardigheid een absolute waarde is, maar dat het streven ernaar functioneel is, voor de samenleving, voor het individu, voor de soort. Edel is hier geen metafysisch predicaat, maar een beschrijving van wat werkt op de lange termijn.

En zo is de meest levende mens niet degene die gelijkheid heeft gevonden, maar degene die vol passie en met open ogen op weg is ernaar toe.